Thermische biomassa conversie |
|
NOx vorming tijdens biomassa verbranding - het modelleren van een biomassa oven
Dr.ir. Rob Bastiaans R.J.M.Bastiaans@TUe.nl
+31 40 247 4836
Dr.ir. Jeroen van Oijen J.A.v.Oijen@TUe.nl
+31 40 247 3133
- Biomassa oven
NOx emissie grenzen voor biomassa verbrandingsovens worden steeds strenger. Door het modeleren van een verbrandingsinstallatie kunnen verschillende methoden om aan deze regelgeving te kunnen voldoen getest worden. De rekentijd van een numerieke simulatie is te lang als gevolg van de veelomvattende kinetiek van de gasfase en de combinatie van de grootte van de verbrandingsoven en de vereiste dichtheid aan grid punten. Daarom wordt er een gereduceerd model voor Biomassa oven de chemie ontwikkeld. Het testen van dit model wordt uitgevoerd in een overkoepelende simulatie code voor een biomassa verbrandingsinstallatie. Voordat deze experimenten op ware grootte zullen worden uitgevoerd, zal het brandstofmodel, dat de verschillende lagen in het verbrandingsproces omschrijft, experimenteel getest worden aan de hand van een vast bed reactor op laboratorium schaal (zie het volgende onderzoek). Dit project wordt uitgevoerd binnen het raamwerk van het Europese OPTICOMB project, voor meer informatie zie OPTICOMB.
NOx vorming tijdens biomassa verbranding – Brandstof-laag model
Dr.ir. Rob Bastiaans R.J.M.Bastiaans@tue.nl
+31 40 2474836
Dr.ir. Jeroen van Oijen J.A.v.Oijen@tue.nl
+31 40 2473133
Ir. Hans van Kuijk H.A.J.A.v.Kuijk@tue.nl
+31 40 2472393
- vast bed reactor op laboratoriumschaal
NOx emissie grenzen voor biomassa verbrandingsovens worden steeds strenger. Door het modeleren van een verbrandingsinstallatie kunnen verschillende methoden om aan deze regelgeving te kunnen voldoen getest worden. Zulk model moet het vrijkomen van NOx–voorlopers (hoofdzakelijk HCN en NH3) vanuit de vaste brandstof en de opvolgende omzetting naar de gasfase van NOx meenemen. Er wordt een gereduceerd model voor de chemie en een model voor het vaste brandstof bed ontwikkeld. Het testen van beide modellen zal worden uitgevoerd door ze toe te passen in een overkoepelende simulatie code voor een biomassa verbrandingsinstallatie. Voordat deze experimenten op ware grootte zullen worden uitgevoerd, zal het brandstofmodel, dat de verschillende lagen in het verbrandingsproces omschrijft, experimenteel getest worden aan de hand van een vast bed reactor op laboratorium schaal. Dit project wordt uitgevoerd binnen het raamwerk van het Europese OPTICOMB project, voor meer informatie, zie OPTICOMB.
De invloed van biogas toevoeging op de vlamstabiliteit in gasturbines
Dr.ir. Rob Bastiaans R.J.M.Bastiaans@tue.nl
+31 40 2474836
Ir. Joost de Swart J.A.M.d.Swart@tue.nl
+31 40 2473731
- Gemiddelde positie van het vlamfront in een turbulente vlam
Het gebruik van biogas in gasturbine verbranding voor elektriciteitsproductie krijgt de afgelopen jaren steeds meer aandacht. Het doel van dit onderzoekproject is het onderzoeken van de invloed van het toevoegen van biogasmengsels bij aardgas op de stabiliteit van turbulente voorgemengde vlammen. Verbranding in arme voorgemengde gasturbines vindt voornamelijk plaats in het flamelet en de dunne-reactie zones regime. Het doel van dit project is het ontwikkelen van verbeterde voorgemengde turbulente verbrandingsmodellen voor de omstandigheden waarin arm verbrand wordt gasturbines, inclusief nauwkeurige reactie kinetica en verbeterde turbulentie modellering.
Biomassa vergassing
Dr.ir. Mark Prins M.J.Prins@TUe.nl
+31 40 2472393
Dr.ir. Rob Bastiaans R.J.M.Bastiaans@tue.nl
+31 40 2474836

- Rooster reactor
De vorming van NOx – voorlopers (HCN en NH3) en CO in de brandstoflaag en in de gasfase wordt bestudeerd. Er wordt een grid reactor gebruikt om de biomassa monsters (bast en MDF), met een grootte van circa 90 microns, snel op vaste temperaturen te kunnen verhitten. Onlangs is er een ultra-fijn thermokoppel aan het grid gelast. Door snel te verhitten (103 K/s) en kleine deeltjes biomassa te gebruiken kan de kinetisch beheerste emissie van de hierboven genoemde stoffen onderzocht worden. De conversie, door de tijd heen, wordt gevolgd aan de hand van instelbare diode lasers in het infrarode spectrale gebied. NH3 en HCN zijn de primaire vormen waarin vrijkomt tijdens de thermische decompositie van zowel de biomassa als de steenkool. De kinetische data, van de grid reactor, zal worden verwerkt in een chemisch reactiemodel door onze eigen code, CHEM1D, te gebruiken. Reductie technieken zullen de verwerking van dit model toelaten in CFD (Computational Fluid Dynamics) codes. Dit werk levert een significante bijdrage aan een overkoepelend 3D-CFD model voor bestaande biomassa verbrandingsovens, maar ook voor de ontwikkeling van nieuwe biomassa verbrandingsovens.
Biomassa torrefactie voor de productie van biobrandstoffen uit (bio)afval
Ir. Michiel van der Stelt M.J.C.v.d.Stelt@tue.nl
+31 40 2474719
De infrastructuur van steenkool gestookte energiecentrales is op dit moment niet geschikt voor het bijstoken met biomassa, omdat de steenkoolmalers de biomassa niet altijd goed kunnen verwerken. Torrefactie, een voorbehandelingsmethode voor biomassa, geeft biomassa de eigenschappen steenkool, zodat dit probleem omzeild kan worden. Dit onderzoek richt zich op de torrefactie van verscheidene bioafval stromen die gebruikt kunnen worden als potentiële grondstof voor de productie van elektriciteit en biobrandstoffen. De nadruk ligt op het mechanisme, intrinsieke kinetica, energie balans, warmte effect, en warmte- en massaoverdracht van 1-componenten stromen.
Bio-brandstoffen in een Rankine compressie gasturbine
Dr.ir. Rick de Lange H.C.d.Lange@tue.nl
+31 40 2472129
Ir. Hans Ouwerkerk H.Ouwerkerk@tue.nl
+31 40 2475410
In samenwerking met HeatPower wordt aan de TU/e de Rankine Compression Gasturbine (RCG) ontwikkeld. Deze installatie is bedoeld voor toepassingen met een gevraagd vermogen van 1-10 MWe. Hierbij zijn een aantal hoofdpunten van belang:
- de snelle dynamica van het systeem.
- het hoge rendement (t.o.v. enkelvoudige gasturbine)
- simpele eenvoudig te onderhouden systeem componenten.
- ruime modulatie grenzen.
Naast deze algemene voordelen is het bovendien zo dat de RCG gebruik maakt van duobrandstof branders die op gas- en vloeibare brandstoffen getest zijn. Deze branders maken het mogelijk om de RCG op allerhande biobrandstoffen te bedrijven. Op dit moment wordt de toepasbaarheid van glycerol (een afval product van biodiesel productie) onderzocht. In het kader van een STW-Valorisation Grant werkt ir. Hans Ouwerkerk in zijn promotieonderzoek aan het ontwerp van een demonstratiemodel voor een dual-fuel RCG-systeem. Door de flexibiliteit van de ontwikkelde installatie en zijn specifieke vermogensbereik wordt de RCG op dit moment vooral uitontwikkeld voor WKK-toepassingen in de glastuinbouw. De speerpunten hierbij zijn de moduleerbaarheid en brandstof onafhankelijkheid. Hierdoor wordt het gebruik van biobrandstoffen extra aantrekkelijk.


Achtergrond
Onderzoek
TU Delft
