Milieuaspecten
Het belangrijkste milieuvoordeel van fusie-energie is dat het een CO2-vrije energiebron is, waarbij bovendien geen andere schadelijke gassen zoals SO2 en NOx vrijkomen. Het enige bijproduct van het fusieproces is helium, een onschadelijk, inert gas waarvan bovendien maar heel weinig van geproduceerd wordt, zo’n 250 kg per jaar voor een 1000 MW centrale.
De fusiereactie zelf veroorzaakt dus geen radioactief afval, en buiten de centrale is geen vervoer van radioactieve brandstoffen nodig. Het wandmateriaal van het plasmavat word bestraald met neutronen, en wordt daardoor wel radioactief. De radiologische eigenschappen zoals vervaltijd hangen af van de keus van de wandmaterialen. Er wordt onderzoek gedaan naar de materialen met de beste eigenschappen, en met een zo kort mogelijke halfwaardetijd.
Geactiveerd wandmateriaal zal door vervanging en uiteindelijke ontmanteling gedurende de levensduur van de centrale een even grote hoeveelheid afval opleveren als een kerncentrale, maar het afval is zeer verschillend van karakter. Ten eerste is de radiotoxiciteit na een afkoelperiode van zo’n 50 tot 100 jaar ongeveer een factor 3.000 tot 100.000 lager, afhankelijk van welke materialen er voor het plasmavat worden gebruikt, en welke maat voor radiotoxiciteit wordt gebruikt (zie figuur 9). Verder heeft het afval geen actieve koeling nodig. Na die 100 jaar is de activiteit van het afval vergelijkbaar met dat van de as van een kolencentrale. Omdat er geen langlevende splijtingsproducten zijn, is de opslag en verwerking van dergelijk afval relatief eenvoudig.
Een belangrijke mogelijkheid om de hoeveelheid afval verder in te perken is om het wandmateriaal na een afkoelperiode van 50 jaar opnieuw te gebruiken. Op die manier kan mogelijk tot 80% van het wandmateriaal opnieuw worden gebruikt in nieuwe fusiecentrales, en de rest kan relatief eenvoudig worden opgeslagen.


Achtergrond
Potentieel
Onderzoek
