Historie
De meeste vormen van duurzame energie zijn ouder dan het gebruik van fossiele brandstoffen. De rede hiervoor is te vinden in het feit dat in de oudheid energiebronnen werden aangewend die in de nabijheid aanwezig waren. Pas tegen het eind van de negentiende eeuw begonnen duurzame energiebronnen te worden verdrongen door goedkope en flexibele fossiele brandstoffen.
In dezelfde periode, namelijk in 1896, publiceerde de Zweed Svante Arrhenius een model dat het verband legde tussen de hoeveelheid kooldioxide en de temperatuur. Pas in de jaren vijftig werd de concentratie kooldioxide in de atmosfeer systematisch in kaart gebracht. Hoewel al snel duidelijk werd dat de concentratie kooldioxide continue aan het stijgen was, bleef het werkelijke effect van het broeikaseffect op het klimaat erg onvoorspelbaar. Voor energieleveranciers was het gemakkelijk om het voordeel aan de twijfel te geven, zodat dure opslag van kooldioxide niet overwogen werd. Alleen in Texas begon met in de jaren zeventig met het opslaan van kooldioxide in de olievelden om de olieopbrengst te verhogen.
Op het moment dat de gevolgen van temperatuurstijging tegen het einde van de twintigste eeuw steeds zichtbaarder werden, begonnen steeds meer mensen te geloven dat de klimaatverandering door menselijk toedoen wordt veroorzaakt. Dankzij het Kyoto-protocol dat in 1997 werd opgesteld, hangen steeds meer landen een prijskaartje aan de uitstoot van broeikasgassen. Hierdoor zijn vele bedrijven en onderzoeksinstellingen begonnen met het verbeteren van de opslagtechnologie.


Achtergrond
Potentieel
Techniek